Route Napoléon, Mont Ventoux, Bretagne en Normandië (Verschenen in Cylinders, motormagazine van HRA)

In 2009 was ik drie maanden alleen te voet onderweg geweest naar Santiago de Compostela. Die ervaring evenaren of verbeteren zou geen makkelijke uitdaging worden. Groot verschil en voordeel met toen is dat ik sinds halfweg januari een parelmoeren CBF 1000 op de oprit heb staan. Het lag dus voor de hand daar iets mee te gaan doen. Bovendien had de tocht naar Santiago ook een carrièrewending als gevolg, zodat ik voor het eerst sinds even weer over twee volle maanden ‘grote vakantie’ kon beschikken: de voordelen van het onderwijs…

  De Honfa CBF1000 mét bagagerol...


De Honfa CBF1000 mét bagagerol...

Tussen droom en daad staan spijtig genoeg vaak wetten in de weg, en praktische bezwaren. Allerlei onvoorziene omstandigheden zorgden ervoor dat ik eind juli al veel had rondgereden in eigen streek (West-Vlaanderen) en een driedaagse trip richting Amsterdam had kunnen doen, maar nog nergens ‘echt’ geweest was. De onrust nam toe, de vakantie was halfweg, het weer in België kende een dip en een ingreep drong zich toch wel op. Snel zelfs. De motor had na Amsterdam een 12 000 kilometer- beurt gekregen en ik was er zelf ook klaar voor. Laatste detail was een manier vinden om bagage mee te nemen op de CBF.

Een bezoek aan de Honda- dealer leverde een handige bagagerol op, in theorie. Dat wil zeggen: de bestelling was gemaakt, de levering liet een tweetal dagen op zich wachten. Nu zijn twee dagen wel lang als je zit te wachten natuurlijk. Te lang? Te lang! Na een acute aanval van reislust was het gevolg dat ik al twaalf uur onderweg was toen ik het bericht kreeg dat mijn handige bagagerol klaar lag om op te halen. Ik was vertrokken met een volle tanktas voorop en een volle tanktas in een vuilniszak onder een bagagenet achterop en dat lukte ook. Stijlvol of niet: we (de motor en mezelf) waren weg en dat was goed. Het doel van de rit: de Route Napoléon, Côte d’Azur en Mont Ventoux. Daarna zagen we wel.

Motorrijden mag wat mij betreft nog heel avontuurlijk zijn, zonder motorbroek, -jas, -boots en -handschoenen voel ik me eenvoudigweg nog naakter op mijn sowieso al behoorlijk naakte machine. Het gevolg was dat ik na een stevige rit van ruim 900 kilometer wel nat van het zweet dwars door een verschrikkelijk warm/onweerachtig Grenoble reed te sukkelen. Onderweg was ik zowaar ook al in het centrum van Doornik terechtgekomen en had ik een omweg gemaakt omdat ik net na de eerste péage de afslag naar Reims gemist had en eerst een eind richting Parijs ben gereden om daarna alsnog af te draaien. Nu, dat gezweet had ook wel te maken met het feit dat ik al een jaar geen Frans meer gesproken had en me plots ook wel het gevoel bekroop een beetje halsoverkop vertrokken te zijn. Te voet naar Santiago wandelen levert wel de reiservaring op ten allen tijde rustig te blijven en uiteindelijk genoot ik ’s avonds in een nat Grenoble van een lekkere en verfrissende douche.

De volgende dag reed ik de Route Napoléon helemaal tot in Grasse. ’s Ochtends nog zo’n beetje tussen de druppels door maar gaandeweg onder een stralende zon en in het uiterste Zuiden zelfs ronduit vochtverliezend. Los van de dertig graden Celsius die het sowieso al was, zal iedereen die al eens driehonderd kilometer op een CBF heeft gereden kunnen beamen dat het naakte motorblok heel veel hitte kan uitstralen. Ik liet het allemaal aan mijn hart niet komen: de Route Napoléon is één van die wegen die je als motorrijder wel eens moet gedaan hebben en behalve een wat ‘saaier’ middenstuk zijn de kilometers tussen Grenoble en Gap en later Digne-les-bains en Grasse ronduit schitterend. Het was wat wennen aan het bochtenwerk en hier en daar liet ik me wel eens verrassen door een onverwachte haarspeldbocht, maar al bij al was ik tevreden over mijn rijstijl ook. Nu is een CBF 1000 wel een machine waar je praktisch niet fout kan schakelen natuurlijk, maar toch.

Dag drie was een totaal ander verhaal: Grasse- Cannes- St.-Tropez- Toulon langs de kust was het plan. De realiteit ging een beetje verloren in één langgerekte rij aanschuivende wagens tussen Cannes en St.-Tropez. Niet te doen! In een mengeling van gevloek en medelijden met de bakkende toeristen laveerde ik mijn bijna 300 kilogram langs de auto’s, van rond punt naar rond punt (waar Fransen toch o zo veel moeite mee lijken te hebben: richtingaanwijzers gebruiken zoals het hoort zou al stukken helpen…), ondertussen constant op mijn hoede voor de vespa’s, scooters en lichte motortjes die me op mijn beurt nog eens inhaalden, terwijl ik al constant over de witte middenlijn laveerde. Thuis heb ik ook maar een goeie halve meter nodig, maar zo op reis, alleen, op een plek waar je nog nooit reed, is dat gevoel toch net niet hetzelfde natuurlijk. In St.-Tropez had ik genoeg Middellandse Zee en vooral linkerkanten van wagens gezien om te besluiten af te draaien naar het binnenland en het laatste stuk tot Toulon via de heuveltjes wat verderop af te leggen. De verademing was enorm en het contrast met de drukke invalswegen van Toulon daarna zoveel te groter.

Ik was al zo’n tien keer rond het verkeersvrije centrum gereden toen ik plots toch het Office de Tourisme kon vinden. Het is te zeggen, ik stond ernaast en vroeg aan een oudere dame waar het was, waarop die me nogal vreemd aankeek en even knikte. Natuurlijk bevond mijn hotelletje zich dan ook nog aan de overzijde van dat centrum en reed ik nog een keer of twee verkeerd doordat ik me liet meestromen in het helse verkeer voor ik uiteindelijk onder mijn helm even diep zuchtte en mijn Honda het verkeersvrije centrum durfde insturen. Blijkt dat elke Fransman- met- een- motor dat daar trouwens doet en dat het hotel, dat net na de hoek lag, zelfs een parking voor motoren voor de deur had. Fantastisch. Eenmaal helemaal geïnstalleerd bleek Toulon trouwens best een aangename Mediterrane stad te zijn, met een aangenaam verkeersvrij (nou ja, verkeersluw) centrum… 

De ochtend daarna was de hemel blauw, scheen de zon, startte ik goedgeluimd de motor en reed behoedzaam de ring op… waar ik in enorme windstoten moeite had om rechtop en recht vooruit te blijven rijden. Mistral. Ik rij bij gebrek aan een autorijbewijs het hele jaar door met de motor, door regen, lichte hagel, ijzel en zelfs sneeuw, maar van wind hou ik toch niet. Zeker niet van de Mistral, die maar drie zekerheden biedt: hij komt uit het Noorden, duurt de hele dag en blaast hard. Maar goed, we zijn op reis, maken ons geen zorgen en passen ons aan, zeker? In plaats van nog een eind langs de kust te rijden, waar de wind van opzij komt, draaide ik snel schuin naar het Noorden, richting St. Rémy de Provence. Als het dan toch Mistral moet zijn, dan ‘zie’ ik hem liever komen dan dat hij me steeds maar weer op de zij verrast. Toch bleef het moeilijk rijden die dag en op de middag was ik tevreden dat ik op mijn bestemming was.

Het laatste wat ik zeker wou doen nu ik daar toch in de buurt rondreed, was de Mont Ventoux beklimmen. Per motor weliswaar, maar toch. De Mistral was de dag erop nog steeds van de partij, maar ik liet het aan mijn hart niet komen en reed toch lekker 250 kilometer op, af, over, naast en rond de reus van de Provence. Heerlijk.

Een motor bied je echter de vrijheid snel te gaan en staan waar je wil en na mijn rit over de Ventoux  had ik gedaan wat ik wilde doen. Bovendien was een tanktas onder een bagagenet toch dat niet, leidde het in- en uitpakken tot een bepaalde vorm van ‘proppen’, bleven ze wind voorspellen en was het verdomd heet aan elk rood licht. Ik besloot andere horizonten te gaan opzoeken. Dag zes, die de geschiedenis zal ingaan als de dag waarop de filerecords in Frankrijk verbroken werden, reed ik in één ruk terug naar huis. De afstand: 1050 kilometer. Had de nood zich voorgedaan dan was ik onderweg gestopt, maar ik moet toegeven dat ik me best veilig voel op mijn motor en me ook al wel eens langere tijd op een verantwoorde wijze baanvak drie durf toe-eigenen, zodat ik tien uur later alweer thuis aan de voordeur stond.

Motorrijden in die stijl is geen ontspannen cruisen meer en vereist opperste concentratie. De omstandigheden moeten meezitten (droog, wind voor- of achter, niet te warm, niet te koud) en bovendien ken ik die rit met mijn ogen dicht, maar als het een beetje meezit heb ik nog vijftig jaar motorrijden voor de boeg, dus hoef ik me niet te forceren. Bovendien blijft gedurende meer dan duizend kilometer een lengte van 1.90 meter over een motor plooien hoe dan ook een pijnlijke zaak, hoe comfortabel de CBF dan ook is. Hoewel, niet té pijnlijk blijkbaar, want de dag erop werd ik wakker in grijs België en dacht ik: “Wat doe ik hier eigenlijk? We zijn nog niet eens halfweg augustus, ik heb geen verplichtingen, het weer is elders ongetwijfeld beter en er staat een mooie motor voor de deur!

Het gevolg? De bestelde bagagerol opgehaald, een motorbroek in jeans met bescherming mee, wat kaartjes open geplooid en terug de baan op. Deze keer kon ik even glimlachen toen ik de afrit na de eerste péage links liet liggen want ik was op weg naar Orléans. Ik wou van daaruit zonder snelwegen elke dag 400 kilometer via departementale wegen langs de Loire, door Bretagne en daarna Normandië rijden. Niet van de poes, maar zonder ook maar één meter verplicht te moeten doen. In Orléans heb ik me een ongeluk gezocht naar een hotel maar zelfs dat kon de pret niet bederven. En zeg nu zelf: in een grootstad iets zoeken is nog altijd leuker op twee wielen dan op vier.

De Loirevallei is eenvoudigweg een must en een luxe met de motor. Verdwalen kan niet want de Loire is breed genoeg om te zien en als je de bordjes van het ene kasteel naar het andere volgt kom je uiteindelijk vanzelf wel ergens uit. Onderweg val je op die manier bovendien van de ene verbazing in de andere want er staan kleine kastelen, grote, oude, hele oude, mooie, minder mooie, indrukwekkende, … voor elk wat wils. Het weer was aangenamer dan in het Zuiden, met temperaturen rond de twintig graden, de bagagerol was een luxe in vergelijking met de tanktas-in-vuilniszak en fysiek had ik geen last van de marathonrit van enkele dagen eerder.

’s Avonds overnachtte ik in Nantes en de volgende dag reed ik 440 kilometer langs kleine, bochtige, hellende, bosrijke wegen tot Quimperlé (centraal in Bretagne) waar ik een leuk hotelletje vond en even besloot te blijven hangen om van daaruit Bretagne te verkennen. Eerst een dagje een rondrit van 390 kilometer links in Bretagne, tot vlakbij Brest en daarna de volledige Westkust terug. Een jaar eerder was ik te voet tot Finisterra in Spanje geraakt en nu wou ik per se Finisterre in Frankrijk volledig verkennen. En met succes. Woeste kliffen, de Atlantische Oceaan, rustige wegen en mooi weer, wat wil een mens nog meer? De dag erop 420 kilometer naar rechts. De prehistorische menhirs en dolmen in Carnac en in een grote, mooie, bosrijke boog rondom Vannes tot helemaal aan de overkant van de baai en terug naar Quimperlé. De zuidkant van Bretagne was daarmee uitvoerig bereden en dus kon ik verder trekken, dwars door het centrum, naar de noordkust. Die dag ontdekte ik dat de verkoper van mijn zomerjas gelijk had toen hij zei dat ik de minste spat regen zou voelen. Gelukkig ben ik nog jong en optimistisch en was het nu ook niet zo erg dat het niet verholpen kon worden met een warme koffie onderweg en een goeie douche en warm bed achteraf.

In rechte lijn zijn al deze afstanden trouwens verwaarloosbaar, dus kan iedereen daar de lengte van zijn traject op elk moment veranderen of bepalen. Zelf was ik op dat moment echter zodanig verslingerd aan het motorrijden dat ik mezelf soms moest dwingen om even halt te houden onderweg. Het landschap, de wegen, het weer, de vlotheid waarmee ik reed na 10 dagen onafgebroken lange afstanden op de motor, … Een heel verschil met de Westhoek, mijn normale ‘speelterrein’ en dus kreeg ik er maar geen genoeg van. Bovendien hebben motoren ook andere voordelen.

Aan de Mont St.Michel stonden de kampeerauto’s en wagens acht kilometer ver bumper aan bumper aan te schuiven. Twintig minuten na het begin van de file parkeerde ik de CBF netjes naast een Britse Harley, op 50 meter van de Mont St. Michel. Toen ik later weer wegreed kwamen wagens die ik had ingehaald nog maar de parking opgereden. En nu heb ik al gevloekt, bekken getrokken, gescholden, geklappertand en geroepen in mijn helm, op dat moment kon ik alleen even glimlachen en verder rijden. Dwars door Normandië naar Cherbourg, helemaal in het noorden aan het Kanaal, rij je van het ene kasteel naar de andere kathedraal terwijl je onderweg het parcours dat de Amerikaanse bevrijdingstroepen hebben afgelegd kan volgen. Ik bleef mijn hoge kilometeraantal dapper aanhouden en op het loskomen van een vijsje aan de versnelling na, liet ook de motor zich van zijn beste kant zien. Vijsje vastgedraaid, even de motor moed ingesproken en gezegd dat hij zijn best deed en weg waren we opnieuw. Drie van de vijf landingsstranden, St. Mer Eglise, waar John Steel na 65 jaar nog steeds met zijn parachute aan de kerktoren hangt, soldatenkerkhoven waar duizenden Duitsers, Polen, Amerikanen, Britten en Canadezen een indrukwekkende stilte afdwingen, tanks en memorials, batterijen met afweergeschut, Pointe du Hoc, Bayeux en Caen deden alleen maar honger krijgen naar nog een keer terugkeren.

En toen gebeurde er iets vreemds. Na tweehonderd kilometer rondtoeren tussen Caen en Parijs doofde het vuur plots. Misschien was het indrukwekkende toneel van D-day een passend einde van de reis? Of waren de 7000 kilometer in veertien dagen toch wat veel geweest? Hoe dan ook, het was genoeg geweest. Super, maar genoeg. Ik had geen zin meer om er nog een paar dagen kunstmatig aan te breien, al was ik dat tot een uur ervoor wel nog gewoon van plan geweest. Drie uur later stonden we thuis. Net geen 7500 heerlijke kilometers door Frankrijk op de teller. In perfecte harmonie en met veel zin om dit nog eens te doen.

Aangezien ik nu wel zo goed als vergroeid was met mijn witte Honda reed ik de volgende dag even door de Westhoek. Ik had het gevoel dat ik de motor verschrikkelijk veel pijn deed op de slechtste wegen waar ik in tijden op gereden had en moest me bijna vastklampen om er op sommige stukken niet vanaf te donderen. Verschrikkelijk…  Na 100 kilometer heb ik me bij de CBF geëxcuseerd en heb hem zijn welverdiende rust gegund. Hij krijgt binnen twee dagen een meer dan terechte stevige onderhoudsbeurt en straks neem ik uitvoerig de tijd om hem eens helemaal schoon te maken. Ik denk dat ik even zal moeten wennen aan het ‘normale’ leven nu.